altijd
ik wilde
ik wilde dat je voor me stond,
op een zondagochtend,
tussen negen en elf
ik wilde dat je voor me stond
om tien uur op zondag voor m’n deur
die ik opendoe
en dat je daar staat
en ik je binnenlok
ik wilde dat we m’n gang door gingen,
m’n huiskamer,
m’n slaapkamer in
en daar
daar zou ik je in stukken slaan
in hele kleine stukken slaan
in steeds kleinere stukjes slaan
tot stof, tot fijnstof, poeder slaan
en je zou neerdalen op m’n bed
soms zou ik naar je blazen
je zou oplichten in het licht
en je zou ook overal en nergens zijn,
maar altijd van mij
dan weer veeg ik je blij bijeen
en op die berg spuug ik dan wat
als bindmiddel: een samenzijn
en ik kneedde je tot waar ik zo
behoefte aan had
dat kan van alles zijn
en als ik klaar was
jij uiteen viel
rondvloog in hervonden droogte
verdeelde ik je over zakjes
die legde ik dan in mijn kast
en ik zou altijd naar je ruiken

1 May 2010 at 17:56
Ja dit vond ik een verassend goed gedicht. En Kater ook. Die Kater is herkenbaar, maar dan weer min of meer andersom.
hartelijke groet, Catelijne